Als politicus weet je alles en heb je overal een opvatting over. Althans, dat lijkt de samenleving van een politicus te verwachten. Het stellen van vragen staat voor het niet-weten en dat niet-weten wordt bij een politicus niet gewaardeerd. Maar een politicus wiens hoofd vol zit met opvattingen en meningen heeft geen ruimte meer over voor vragen.

Politici lijken steeds meer ook zelf te geloven dat ze op alle vragen het antwoord weten. Antwoorden en meningen worden als feiten neergezet. Omgekeerd is dat ook het geval en feiten worden meningen, want een mening is nu eenmaal makkelijker naar je hand te zetten dan feiten. Zelfs de factchecker is een opiniemaker.

Natuurlijk zijn er vragen die je direct kunt beantwoorden, zoals de vraag ‘hoe laat is het?’. De vraag ‘ben je een goede ouder?’ is lastiger te beantwoorden. Om een gefundeerd antwoord te kunnen geven moet je op onderzoek uit naar de mening van je kinderen. Dat kost tijd maar levert wel veel meer inzicht op. Dit geldt voor meer onderwerpen; soms moet je vertragen om daarna te kunnen versnellen.

De politicus gooit te snel vragen op de hoop van ‘hoe laat is het?’. Doet vervolgens geen onderzoek, voert geen discussie met de samenleving maar draagt zijn opinie uit, bij voorkeur via social media. Staat hun instant-mening het diepere contact met de samenleving in de weg?In de begintijd van onze democratie gingen filosofen als Socrates en Plato met politici in discussie. Op zoek naar verdieping zette de filosoof de politicus aan het denken. Dat was toen en nu vermaken wij ons met debatten waarbij de ene politicus de ander te slim af is met aangeleerde debattrucjes. Hoe zouden we nu op politici reageren die ons meenemen in de vragen die ze hebben?  Zouden we ons dan weer verbonden voelen met de politiek en deelgenoot worden in plaats van de huidige toeschouwer?

Share on facebook
Facebook
Share on twitter
Twitter
Share on linkedin
LinkedIn